Artikel n.a.v. de presentatie over toetsen van de thema-avond 15 maart 2014
donderdag 22 mei 2014
Toetsen om te leren
Artikel n.a.v. de presentatie over toetsen van de thema-avond 15 maart 2014
zaterdag 17 mei 2014
maandag 21 april 2014
Aanstaande werkjes
- thema-avond over toetsen
- experiment taakgerichte instructie
- onderwijs is een fractal
donderdag 3 april 2014
Cijfers geven
"In proefwerk kunnen leerlingen door blind gokken al 11 van 34 punten behalen. Welk cijfer verdient score '19 punten'?"
Antwoord
Bij 11 punten heb je een 1. Er zijn dan nog 9 cijferpunten te verdienen met 23 punten meer. Als formule:
\(
\LARGE cijfer = 1 + \frac{{p - 11}}{{23}} \times 9
\)
Bij 19 punten heb je dan een 4,1. Bij 23 punten een 5,7. Een 'echte voldoende' krijg je pas bij 24 punten of meer.
Naschrift
Je zou met je GR nog leuke dingen kunnen doen:
...of kies nog een derde punt, bijvoorbeeld 17 punten is een 5,5 en dan zoiets:
Wat je maar wilt! Alles kan... het hoogste cijfer een 8? Kan ook.:-)
Naschrift 2
Voordat je 't weet ben je een soort van CITO waarvan niemand begrijpt waar de cijfers allemaal vandaan komen.:-)
Naschrift 3
Heeft webloggen zin? Heeft Twitteren zin? Heeft een website zin? Heeft iets zin? Heeft zin wel zin?
zaterdag 15 maart 2014
De rekentoets
donderdag 13 maart 2014
Goed of fout
bron
vrijdag 7 maart 2014
Pilot CITO rekentoets 3F van 2013
bron
Hieronder zie je een overzichtje van de slechts gemaakt vragen de 3F toets:
(c) Willem van Ravenstein - voorbeeld rekentoets 3F van CITO van 2013
Tafeltennis
Vraag 38 uit de CITO-voorbeeldrekentoets 3F van 2013 is slecht gemaakt. HAVO 12% goed en VWO 29% goed:
AANPAK
Er zijn verschillende mogelijkheden om dit aan te pakken. Je zou kunnen beredeneren dat elk speler 12 wedstrijden moet spelen. Maar als je \(13\times12\) doet dan speelt iedereen twee keer tegen elkaar (dat is een hele competitie), dus moet je nog delen door twee. Er worden \(\large\frac{13\times 12}{2}\)=\(78\) wedstrijden gespeeld.
De halve competitie komt ook voor in het wiskundeboek voor de tweede klas. Dat lijkt, in 't algemeen, geen problemen op te leveren. Maar kennelijk is het niet zo vanzelfsprekend als je zou denken, gezien de resultaten.
Duidelijk is in ieder geval dat de manier waarop je dit soort problemen aan zou kunnen pakken (rooster, graaf, tellen...) niet echt is blijven hangen. Dat is ook wel een soort thema bij de rekentoets. Allerlei vaardigheden die op een bepaald moment in de schoolloopbaan geen enkel probleem zijn blijken later te zijn vergeten, onbegrepen, weggezakt... Wat een treurigheid...
Dit was voorlopig de laatste vraag in de serie 'slechtstgemaakte vragen van de rekentoets'. Deze vragen staan op een rijtje bij de resultaten. Er zijn ook verwijzingen naar WisFaq.
donderdag 6 maart 2014
Intervaltraining
Hoe pak je dat aan?
't Is in het begin wel even puzzelen hoe dat nu precies zit, maar 't komt neer op:
- 6 kilometer intervaltraining bestaat uit 5 keer hardlopen (5 km) en 5 keer wandelen (1 km).
- In totaal duurt dat 37 minuten.
- De wandelsnelheid is 5 km per uur, dus 1 km wandelen duurt 12 minuten.
- 5 km hardlopen in 25 minuten is \(\frac{1}{5}\) km/minuut.
- De gemiddelde snelheid bij 't hardlopen is 60 · \(\frac{1}{5}\) =12 km/uur.
Bij probleemaanpak (HAVO 4 wiskunde B) heb ik de opgave gebruikt als één van de problemen. In de 'hints' heb ik toen gekozen voor een wiskundige aanpak:
- De hardloopsnelheid is \(v\) en de wandelsnelheid is \(5\).
- Reken dan uit hoeveel
uur hij er over doet.
Er geldt: \(\large\frac{5}{v} + \frac{1}{5} = \frac{{37}}{{60}}\). - Oplossen geeft \(v=12\)
In de komende weken zal ik nog 's wat vaker kijken naar de resultaten van de CITO voorbeeldrekentoets. Wat waren de moeilijke vragen? En waarom?
Versnelling
Hoe pak je dat aan?
- Als de trapas 1000 keer rond gaat dan gaat het achterwiel 3000 keer rond.
- De diameter is 68 cm. De omtrek is 3,14 · 68 = 213,52 cm.
- De afgelegde weg is 3000 · 213,52 = 640.560 cm
- Dat is ongeveer 6,4 km.
In de komende weken zal ik nog 's wat vaker kijken naar de resultaten van de CITO voorbeeldrekentoets. Wat waren de moeilijke vragen? En waarom?
Tour de France
HAVO: 9% VWO: 29%:
Hoe pak je dat aan?
De snelheid is gelijk aan de afstand gedeeld door de tijd. Het gaat hier om de snelheid in kilometer per uur, dus je moet het aantal kilometers delen door het aantal uur. De afstand is 15 km. De tijd is 19 minuten, 32 seconden en dan nog 51 seconden, dus 19 minuten en 83 seconden. Maar hoeveel uur is dat? Het aantal minuten moet je dan delen door 60 en het aantal seconden door 3600, dat tel je op en dan weet je de tijd in uren.
-
Wat is de afstand?
De afstand is 15 km. -
Wat is de tijd?
De tijd is 19 minuten en 83 seconden. -
Hoeveel uur is 19 minuten en 83 seconden?
Dat is 0,33972 uur. - Deel 15 door 0,33972... en je krijgt 44,15372... km/uur.
- Afronden op 1 decimaal geeft dan 44,2 km/uur.
- 15/(19/60+83/3600) = 44,2 km/uur
In de komende weken zal ik nog 's wat vaker kijken naar de resultaten van de CITO voorbeeldrekentoets. Wat waren de moeilijke vragen? En waarom?
woensdag 5 maart 2014
Bollen
Hoe pak je dit aan?
Misschien is het handig om een schets te maken?
- Elke bol heeft een vierkantje nodig van 10x10 cm.
- Bij 1,50 m bij 1,80 m kan je dan 15×18=270 bollen kwijt.
Verzin 't maar 's... De diepere bedoeling van deze vraag ontgaat me, eerlijk gezegd, een beetje. Wat zou hier worden getoetst? Probleemaanpak? IQ? Iets anders?
In de komende weken zal ik nog 's wat vaker kijken naar de resultaten van de CITO voorbeeldrekentoets. Wat waren de moeilijke vragen? En waarom?
Kunstwerk
Hoe pak je dat aan?
Om de aankoopsprijs in 1986 te kunnen vergelijken met de verkoopsprijs in 2009 moet je verkoopsprijs in euro omrekenen in dollar. De vraag is immers 'met hoeveel dollar...'. Als je de verkoopsprijs in dollar hebt dan kan je de winst uitrekenen.
- Bereken de verkoopsprijs in dollar.
- Bereken de winst (verkoopsprijs - aankoopsprijs)
- Bereken het aantal jaren van 1986 naar 2009.
- Bereken de toename per jaar.
- Rond af op duizendtallen.
- De verkoopsprijs in dollar is 32.700.000×1,34 = 43.818.000 dollar
- De winst is gelijk aan 43.818.000 - 385.000 = 43.433.000 dollar
- Het aantal jaren is 2009 - 1986 = 23
- De toename per jaar is 43.433.000 : 23 = 1.888.391,30 dollar
- Afgerond op duizendtallen is dat 1.888.000 dollar per jaar.
Er begint zich zo langzamerhand wel een patroon te ontwikkelen, geloof ik. Alweer minimaal 5 evidente stappen te nemen. Een foutje is snel gemaakt... dat is wederom vragen om moeilijkheden.
Op zich is het wel een leuk probleem. Je koopt een kunstwerk voor slechts $385.000 en wat denk je? Na 23 jaar verkoop je de handel en dan hoef je verder nooit meer te werken, geen dingen te doen waar je geen zin hebt en vooral geen rekentoets te doen. Ergens doe ik iets niet goed...:-)
Maar kennelijk ben ik NIET de enige...:-(
De vraag was op WisFaq ook een keer langsgekomen:
In de komende weken zal ik nog 's wat vaker kijken naar de resultaten van de CITO voorbeeldrekentoets. Wat waren de moeilijke vragen? En waarom?
dinsdag 4 maart 2014
Aantal verkochte fietsen

Hoe pak je dat aan?
Om het aantal verkochte fietsen van 2011 en 2012 te kunnen vergelijken moet je weten hoeveel fietsen er in 2011 en in 2012 verkocht zijn. Het aantal verkochte fietsen in 2012 gaat nog wel, maar het aantal in 2011 is nog even een puzzel.
- aantal hybride- en stadsfietsen in 2011 is gelijk aan 5507 : 1,12 = 4917
- aantal racefietsen in 2011 is gelijk aan 2746 : 0,915 = 3001
- totaal aantal verkochte fietsen in 2011 is dan 4917 + 3001 = 7918
- totaal aantal verkochte fietsen in 2012 is 5507 + 2746 = 8253
- procentuele toename is gelijk aan (8253-7918):7919×100% = 4,2%
Je hoeft geen groot 'toetsdeskundige' of 'professor' te zijn om te begrijpen dat dit vragen om moeilijkheden is. Hoe meer stappen hoe groter de kans op een foutje, maar dan is wel de hele vraag fout.
Waarschijnlijk is stap 2. de lastige stap. Groeifactoren dus... Zo'n opstapeling van moelijkheden is niet nodig. Je kunt al deze stappen heel gemakkelijk apart toetsen, maar kennelijk is het bedoeling om te toetsen of leerlingen ook 5 (lastige) stappen perfect kunnen doorlopen?
Uiteindelijk zegt het weinig als een leerling deze vraag fout heeft. Alleen stap 2. misschien fout gedaan? Of de laatste stap? Of de vraag helemaal niet begrepen? Of zelfs niet eens een poging gedaan? Ik weet het niet, dat moet beter kunnen....
10% van de HAVO-leerlingen en 30% van de VWO-leerlingen hadden deze vraag goed. Dat had natuurlijk niemand kunnen zien aankomen...:-(
In de komende weken zal ik nog 's wat vaker kijken naar de resultaten van de CITO voorbeeldrekentoets. Wat waren de moeilijke vragen? En waarom?
maandag 3 maart 2014
Aandelen
Hoe pak je dat aan?
Deze vraag bestaat uit twee delen:
- Je koopt 200 aandelen die per stuk €9,60 kosten. Daarbij moet je nog transactiekosten betalen. De transactiekosten zijn 0,8% van de totale waarde van de aandelen. Die moet je dan nog apart betalen.
- Je verkoopt 200 aandelen voor €17,20 per stuk. Nu moet je ook transactiekosten betalen. Deze kosten gaan dan af van het bedrag wat je krijgt voor de aandelen.
- Je hebt betaald: 200·9,60·1,008 = €1935,36
- Je krijgt terug: 200·17,20·0,991 = €3409,04
- Trek (1) van (2) af. Je winst is €1473,68 euro.
- 200·17.20·0.991-200·9.60·1.008 = €1473.68
Op WisFaq was de vraag ook al 's aan de orde geweest. Kennelijk is een minimale aanwijzing over het 'verhaaltje' voldoende om het te kunnen uitrekenen. Maar waar zijn we dan mee bezig? Is dat begrijpend lezen of rekenen?
In de komende weken zal ik nog 's wat vaker kijken naar de resultaten van de CITO voorbeeldrekentoets. Wat waren de moeilijke vragen? En waarom?
Proefpartij tegels
Hoe pak je zoiets aan?
De tegels kosten €12,90 per m², maar hoeveel vierkante meter heb je? Het zijn 1800 tegels van 42x42cm. De hoogte doet er niet toe.
Rekenen in meter geeft een totale oppervlakte van 0,42×
- Wat is de totale oppervlakte in m²?
- Bereken de totale prijs.
- Rond af op honderdtallen.
Meer stappen betekent meer kans op een foutje... maar 'een klein foutje' is net zo fout als complete onzin.
In de komende weken zal ik nog 's wat vaker kijken naar de resultaten van de CITO voorbeeldrekentoets. Wat waren de moeilijke vragen? En waarom?
Schaatser
Hoe pak je zoiets aan?
Als je km in minuten wilt vergelijken met meter in seconden dan moet je of km/min omrekenen naar m/ s of m/s naar km/min. In de vraag gaat het om seconden, dus reken kilometer in minuten om naar meter in seconden.
stap 1
10 km = 10.000 m
15 minuten = 900 seconden
stap 2
Als je 10.000 meter in 900 seconden wilt 'omrekenen' naar 400 meter dan gebruik je een verhoudingstabel.
| 10.000 m | 400 m |
| 900 sec | ? |
Je kunt kruislings vermenigvuldigen en dan kijken naar het verschil met 37,7 seconden.
Wat leerlingen zouden moeten leren zijn o.a. dit soort algemene noties over wat 'handig' is. Als je dingen wilt vergelijken gebruik dan dezelfde eenheden, kijk naar de eenheden van het gevraagde antwoord en het gebruik verhoudingstabellen.
Zie ook Hoeveel seconden?
In de komende weken zal ik nog 's wat vaker kijken naar de resultaten van de CITO voorbeeldrekentoets. Wat waren de moeilijke vragen? En waarom?
zondag 2 maart 2014
Vrijdag de 13e

HAVO scoort 28% en VWO scoort 35%. Dat is wel erg weinig. Ik weet niet precies wat dit met rekenen te maken heeft, maar dit was mijn antwoord:
13 februari is vrijdag13 maart is zaterdag
20 maart is zaterdag
27 maart is zaterdag
28 maart is zondag
29 maart is maandag
30 maart is dinsdag
31 maart is woensdag
1 april is donderdag
't Is gewoon een kwestie van even uitschrijven. Dat kan vast ook intelligenter, maar 't geeft mij in ieder geval voldoende zekerheid dat het antwoord klopt.
Het roept in ieder geval een aantal vragen op:
- Wat heeft dit met 'rekenen' te maken?
- Wat wordt hier eigenlijk getoetst?
- Waarom wordt, zelfs door VWO-leerlingen, deze vraag zo slecht gemaakt?
woensdag 27 november 2013
Toetsen
De heer Van Meenen (D66)
zondag 24 november 2013
Procenten
Opgave 4
- Voor een Cd-speler moet je €142 betalen. Dat is inclusief 21% BTW. Hoeveel BTW betaal je dan?
- Ik heb op 1 januari 2001 een bedrag van €225 op een spaarrekening gezet. Ik krijg jaarlijks 3% rente die steeds op 1 januari wordt bijgeschreven. Bereken het tegoed op de spaarrekening op 2 januari 2012?
- Een bedrag B wordt met 12% verhoogd. Bereken met hoeveel procent het bedrag moet afnemen om weer op het oude bedrag B uit te komen.